Onderwijskunde toch nuttig?
01.09.2011Het is een wijdverspreid idee dat de praktijk weinig aan onderwijsonderzoek heeft. Dit probleem is de kern van het vakgebied van Jan van Tartwijk, die op 6 juni zijn oratie gaf als hoogleraar Toegepaste Onderwijskunde aan de Universiteit Utrecht. In zijn lezing vat Van Tartwijk de mogelijkheden en onmogelijkheden samen. Daarnaast somt hij op wat we uit recent onderzoek al weten.
Dat er weinig vertrouwen is in de praktische bruikbaarheid van onderwijsonderzoek, verbaast Van Tartwijk niet. Het terrein van het onderwijsonderzoek wordt door heel veel verschillende factoren beïnvloed. Factoren zoals niveauverschillen tussen leerlingen, verschillen in thuissituatie, methodes en groepsgrootte zijn moeilijk te isoleren en maken het daardoor niet eenvoudig algemeen geldende conclusies voor het onderwijs te trekken.
Toch geeft Van Tartwijk een overzicht van algemene inzichten die onderwijsonderzoek de laatste decennia heeft opgeleverd. De eerste is dat kenmerken van lerenden verantwoordelijk zijn voor 80% van het studiesucces. De school draagt dus 20% bij. Dat neemt niet weg dat scholen het verschil kunnen maken want de resultaten van goede en slechte scholen lopen enorm uiteen. De betere scholen zorgen voor bijvoorbeeld voor veel effectieve leertijd, orde en een goede sfeer en betrokkenheid van de leerlingen.
Daarnaast is bewezen dat de docent met name een grote rol speelt. Van Tartwijk: “de effecten van de docent zijn twee tot drie keer zo groot zijn als die van de school”.
Implementatie
Er zijn diverse redenen waaarom weinig gebruik gemaakt wordt van de resultaten van onderwijskundig onderzoek. Onderwijsonderzoek is te veel versnipperd, het lijdt onder publicatiedrang en onderzoekers hebben minder prioriteit bij toepassing. Ook scholen vinden het lastig om wetenschappelijke kennis in praktijk te brengen. Hoeveel tijd heeft een gemiddelde docent bij voorbeeld om zich in onderzoek te verdiepen?
Van Tartwijk benadrukt het belang van aanpassing.: “onwaarschijnlijk is dat een ontwerp simpelweg kan worden ingevoerd zonder aanzienlijke aanpassingen aan dat ontwerp en aan het systeem waarin het moet passen”. Nieuwe bevindingen, of het nu om verbetering of vernieuwing gaat moet je in het bestaande onderwijs inpassen. Het bestaande onderwijs past zich niet aan een nieuwe ontwikkeling aan.
Om de link tussen onderzoek en de praktijk te versterken ziet Van Tartwijk diverse interessante mogelijkheden. Eén ervan is om docenten partner te laten zijn in het onderwijsonderzoek. Zo worden zij mede-eigenaar worden van een nieuw onderwijsconcept in plaats van alleen uitvoerder.
Bron: Nieuwsbericht Het Platform Beroepsonderwijs, 8 augustus 2011
Dat er weinig vertrouwen is in de praktische bruikbaarheid van onderwijsonderzoek, verbaast Van Tartwijk niet. Het terrein van het onderwijsonderzoek wordt door heel veel verschillende factoren beïnvloed. Factoren zoals niveauverschillen tussen leerlingen, verschillen in thuissituatie, methodes en groepsgrootte zijn moeilijk te isoleren en maken het daardoor niet eenvoudig algemeen geldende conclusies voor het onderwijs te trekken.
Toch geeft Van Tartwijk een overzicht van algemene inzichten die onderwijsonderzoek de laatste decennia heeft opgeleverd. De eerste is dat kenmerken van lerenden verantwoordelijk zijn voor 80% van het studiesucces. De school draagt dus 20% bij. Dat neemt niet weg dat scholen het verschil kunnen maken want de resultaten van goede en slechte scholen lopen enorm uiteen. De betere scholen zorgen voor bijvoorbeeld voor veel effectieve leertijd, orde en een goede sfeer en betrokkenheid van de leerlingen.
Daarnaast is bewezen dat de docent met name een grote rol speelt. Van Tartwijk: “de effecten van de docent zijn twee tot drie keer zo groot zijn als die van de school”.
Implementatie
Er zijn diverse redenen waaarom weinig gebruik gemaakt wordt van de resultaten van onderwijskundig onderzoek. Onderwijsonderzoek is te veel versnipperd, het lijdt onder publicatiedrang en onderzoekers hebben minder prioriteit bij toepassing. Ook scholen vinden het lastig om wetenschappelijke kennis in praktijk te brengen. Hoeveel tijd heeft een gemiddelde docent bij voorbeeld om zich in onderzoek te verdiepen?
Van Tartwijk benadrukt het belang van aanpassing.: “onwaarschijnlijk is dat een ontwerp simpelweg kan worden ingevoerd zonder aanzienlijke aanpassingen aan dat ontwerp en aan het systeem waarin het moet passen”. Nieuwe bevindingen, of het nu om verbetering of vernieuwing gaat moet je in het bestaande onderwijs inpassen. Het bestaande onderwijs past zich niet aan een nieuwe ontwikkeling aan.
Om de link tussen onderzoek en de praktijk te versterken ziet Van Tartwijk diverse interessante mogelijkheden. Eén ervan is om docenten partner te laten zijn in het onderwijsonderzoek. Zo worden zij mede-eigenaar worden van een nieuw onderwijsconcept in plaats van alleen uitvoerder.
Bron: Nieuwsbericht Het Platform Beroepsonderwijs, 8 augustus 2011
« Terug
Tip een bekendePrint